|
................................................. //(AUTO)BIOGRAFIEËN// Petra Essink Recensie: Connie van Gils Deze uitgave is mede mogelijk gemaakt door een financiële bijdrage van de KEG Viataal Groep en de Stichting tot bevordering van de Culturele en Sociale Belangen in Damwoude e.o. .................................................
|
![]() |
Gebarentaal, emancipatie, dovencultuur en het roze gebaar De autobiografie Bea Visser, dove prinses begint met een verhaal over haar vader. Bea’s vader maakte wagens met houten wielen voor boeren. Kleine, middelgrote en grote wielen stonden netjes gesorteerd in de werkplaats. De opa van Bea en ook diens vader waren wagenmakers geweest. Bea’s vader was een vakman, hij maakte goede wagens. De komst van luchtbanden maakte zijn karren op den duur echter overbodig. Hij moest voortijdig stoppen met het produceren ervan, er was geen vraag meer naar. Gelukkig kon hij tot op het laatst zijn eigen brood verdienen met het onderhoud en de reparatie van de bestaande wagens. Bea is geboren in 1936. Doof en naar veel en veel later bleek, ze was toen al eenenveertig jaar, lesbisch. In haar boek vertelt ze hoe ze als klein Fries meisje naar de dovenschool Effatha in Den Haag werd gestuurd zonder dat iemand haar kon uitleggen waarom of voor hoelang. In Groningen was ook wel een dovenschool, maar die was niet Christelijk en de dominee had liever niet dat ze daar naartoe ging. Ook al betekende dat dat ze ieder weekend naar huis zou kunnen. Nu gold dat alleen maar voor bepaalde vakanties, want de reis van Den Haag naar Akkerwoude duurde in die tijd acht uur. Bea bleek zeer intelligent, waardoor ze al snel tot het paradepaardje van de school werd gepromoveerd. Ze werd van hot naar her gesleept om haar aan iedereen te showen. Bea was het levende bewijs dat het onderwijs op Effatha goed was. Die speciale behandeling werd haar niet in dank werd afgenomen door de andere leerlingen. Leren spreken en liplezen was het belangrijkste op school. De kinderen mochten geen gebruik maken van gebaren, alleen als ze exclusief onder elkaar waren. Het zou hun spraak- en taalontwikkeling maar belemmeren, was het idee dat aan dat verbod ten grondslag lag. De lessen waren gericht op de Nederlandse taal, thuis had Bea er dus niet veel aan. Ze kon met haar Fries sprekende omgeving niet communiceren. De onmacht en frustratie die dat begrijpelijkerwijs bij haar teweeg bracht, heeft haar later de motivatie gegeven om zich onvermoeibaar in te zetten voor het verder ontwikkelen, helpen standaardiseren en anderen aanleren van gebarentaal. Ze begon bijvoorbeeld lessen in gebarentaal te geven aan ouders van dove kinderen en het deed haar pijn om te zien hoe vrolijk deze kinderen daarna konden kletsen met hun ouders. Dat had ze zelf ook wel gewild. Eén van de hoogtepunten in Bea’s leven was het geven van lessen in gebarentaal aan acteurs als Willem Nijholt en Rick Nicolet, die beiden meespeelden in Children of a lesser God, de succesvolle theatervoorstelling over de liefde tussen de boze dove Sarah en haar spraakleraar. Maar Bea wilde meer. Overal waar ze maar kwam, richtte ze groepen op waar doven met elkaar konden sporten, kaarten, kennismaken en flirten. Haar leven stond in dienst van de emancipatie van doven en ze bereikte succes op succes. Was ze horend geweest, dan was ze vast minister geworden, zoveel werklust, doorzettingsvermogen, visie en brille legde ze aan de dag. Ze had geen tijd om aan liefde te denken. Mooie woorden en zinnen die ik nooit eerder had gehoord, staan er in het boek. Een woord als ‘plotsdoof’ en een zin als "een vrouw met een duidelijk mondbeeld" geven een kijkje in de leefwereld van dove mensen. Als het gaat over het vaak moeizame contact met horenden, gaat het al snel over surdofobie, angst voor dove mensen. Ze schrijft onder andere: "Veel mensen zijn bang in hun eerste contact met een dove. (..) Voor een dove is het vaak uithouden, geruststellen en wachten tot het beter wordt, of niet." Die zin trof me, omdat ik het zo goed uit mijn eigen bi-leven ken. Het soms eindeloos wachten met een innerlijke zucht tot iemand er eens een keer overheen is en normaal gaat doen, of niet. Je eindelijk in de ogen durft te kijken, of niet. Over haar late ontdekking en schrik dat ze lesbisch is, lezen we boeiende, maar ook bittere fragmenten. Wat me met stomheid deed slaan, was het verhaal van haar eerste verliefdheid op een vrouw. De vrouw in kwestie bekende haar op een dag haar liefde. Bea was ontsteld, geschokt, ze wist niet eens dat dat kon, dat het bestond. Twee mannen ja, maar twee vrouwen… Ze wees de vrouw keihard af, negeerde haar, ontweek haar en wees haar nog verder af. De vrouw hield echter aan en kreeg haar zin. Bea werd ook verliefd op haar. Ze hebben jarenlang een relatie gehad. Ik vond het ongelooflijk om te lezen hoeveel voortvarende lef die vrouw had. Zonder haar volharding had Bea waarschijnlijk nooit de liefde gekend. Als Bea na lange tijd over haar schrik heen is, richt ze, hoe kan het ook anders Het roze gebaar op, een netwerk voor dove hlbt-ers, dat nu al 25 jaar bestaat. Over haar relaties met vrouwen, verliefdheden, seksualiteit en liefdesverdriet krijgen we weinig details te horen. Het kan zijn dat ze als dove vrouw niet zo heel veel woorden tot haar beschikking heeft om alle gevoelsnuances te beschrijven. Het kan ook zijn dat ze iemand is die niet gemakkelijk over haar innerlijk leven praat. Bea is uiteindelijk vóór alles een bezielde lerares en wereldverbeteraar en geen prinsesje, ook al is dat het taalgebaar voor haar naam Bea(trix). Het boek eindigt een beetje verdrietig. De medische wereld heeft niet stilgestaan. Het blijkt dat veel doven geholpen kunnen worden met een ic-implantaat dat ze helpt horen. In de visie van velen maakt dat gebarentaal overbodig. Bea zelf vindt dat gebarentaal een onmisbaar deel is van de dovencultuur en dat een dove zelfstandig moet kunnen zijn als onverhoopt het batterijtje het niet meer doet. Bovendien helpt zo’n implantaat niet bij iedereen, zodat er een groep doven overblijft. Het lijkt een gevecht tegen de bierkaai. Net als met de komst van de luchtbanden die het vak van haar vader overbodig maakten, zijn ook deze ontwikkelingen niet te stoppen. En Bea is zich er pijnlijk bewust van dat ‘l’histoire se répète’. |