Abdellah Taïa: Broederliefde/Arabische melancholie

 


 

.................................................

//FICTIEMANNEN//
Arabische melancholie

Abdellah Taïa
Amsterdam: Gennep, 2008
ISBN: 9055159376

Oorspr. titel en uitg.: Une mélancholie arabeParijs: Seuil, 2008

Vertaling (uit Frans): Henne van der Kooy

Recensie: Connie van Gils


 



.................................................

 //FICTIEMANNEN//
Broederliefde

Abdellah Taïa
Amsterdam: Gennep, 2008 (3de druk; 1e Ned. druk: 2007)
ISBN: 9055159673

Oorspr. titel en uitg.: L’armee du salut Parijs: Seuil, 2006

Vertaling (uit Frans): Henne van der Kooy

Recensie: Connie van Gils

 

 

 

 

 

 

De pijn die liefde heet

De naam Abdellah Taïa las ik voor het eerst in het boek Onder mannen, het verzwegen leven van Marokkaanse homo’s, waarin hij wordt geïnterviewd door Catherine Vuylsteke. Er is op dat moment net een artikel verschenen in een Marokkaans blad over het boek Broederliefde waarin hij verhaalt over zijn homoseksualiteit, en dat heeft een schandaal veroorzaakt.

Zijn moeder belt hem onophoudelijk om hem te vertellen hoeveel leed hij haar en de rest van de familie aandoet, de schande!, dat ze door zijn schuld geen leven meer hebben, ze worden nagewezen, de familienaam heeft hij te grabbel gegooid, de familie-eer bezoedeld, enzovoorts, enzovoorts. Ze smeekt, dreigt, manipuleert, krijst, bedelt, beschuldigt, soebat en huilt. Velen bemoeien zich naar aanleiding van het artikel met de kwestie Taïa en betreuren het openlijk dat ze in Marokko homo’s niet stenigen. Taïa weet het rationeel allemaal wel een plaatsje te geven, maar logischerwijs gaat hij vanbinnen kapot. Hij woont in Parijs en heeft ‘makkelijk praten’, vindt hijzelf. Zijn familie zit in Marokko waar dit alles plaatsvindt.

Tegelijk is hij opstandig omdat niemand van de familie zich bezig houdt met hoe hij zich voelt. Compassie voor hun fijnbesnaarde, slimme zoon die een gevierd auteur is in Europa, kennen zijn ouders niet. Laat staan dat ze, zoals iedere andere rechtgeaarde ouder in hun plaats, trots op hem zijn. Taïa’s angst is dat hij verstoten zal worden net als zijn buurmeisje met wie hij zich verwant voelt. Lang geleden werd ze door haar vader uitgeschreven uit het bevolkingsregister en wegens onzedelijk gedrag aan de straat gegeven. Er is nooit meer wat van haar gehoord. Het is alsof Taïa tegen beter weten in hoopt dat ze nog leeft en ergens ooit zijn naam zal zien, zich hem zal herinneren en iets van zich zal laten horen. Als zij nog leeft, iets wat hij innig hoopt, zal hij het ook wel overleven, lijkt zijn redenatie.

Taïa schrijft in zijn boeken over de romantische liefde. De liefde zoals hij die als hartstochtelijk liefhebber van films kent van het witte doek. Het is de liefde van eeuwige trouw, totale overgave en genoeg zijn voor elkaar. Hij verwacht de liefde van ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’ en verder niets. Herkenbaar genoeg voor wie jong is geweest. Al na een paar bladzijden las ik niet langer over Abdellah, ik wás Abdellah.

De romantische liefde van Taïa krijgt echter al snel te maken met de harde realiteit. In Broederliefde gaat zijn aanbeden broer trouwen. Later, als hij eenmaal student is, meent hij in een Zwitserse professor zijn prins op het witte paard gevonden te hebben. Hij loopt op het puntje van zijn tenen om mee te doen met de gesprekken over literatuur die ze voeren. Hard en cru is dan de ontdekking dat hij door anderen en ook door zijn geliefde professor niet gezien wordt als de intellectueel/kunstenaar die hij graag wil zijn, maar als een aanhankelijk Marokkaantje dat verkozen is om zijn jeugd, als lekker hapje om de vakantie mee op te leuken en om mee te pronken. Feitelijk niet meer dan een hoertje, want wie betaalt de rekeningen?

In Arabische melancholie beschrijft hij hoe hij tot over zijn oren verliefd is op een stugge Fransman. Hij ziet een toekomst voor zich met deze ene, die, ook al zit hij op de bank in de huiskamer, geen aandacht voor hem heeft omdat hij moet werken. Na lange tijd kijkt zijn geliefde eindelijk op en zegt: "Nog één e-mail, dan zal ik je neuken."

Als hij ‘klaar’ is met de nuchtere, in vluchtige seks geïnteresseerde Westerlingen krijgt hij een liefdesrelatie met een vurige Libanees. Ze delen hetzelfde geloof wat een sterke band geeft, maar de Libanees tiranniseert en overheerst hem. Hij moet keer op keer beweren dat zijn eerdere relaties niets voorstelden, dat hij slechts een hoer was. En Taïa doet dat. Hij mag niemand meer zien, want dat is nergens voor nodig en Taïa blijft thuis zoals een brave moslimvrouw betaamt. Als de relatie uiteindelijk stukgaat, omdat hij de grenzeloze bezitsdrang en jaloezie van zijn vriend niet meer kan verdragen, neemt hij zelf gedeeltelijk de schuld op zich. "Ik behoorde hem inderdaad niet helemaal toe. Hij had gelijk. Ik droomde nog altijd van films maken."

De kracht van Taïa is toch wel dat hij liefdespijn zo ongelooflijk precies weet te beschrijven dat je hem tot in je poriën na kunt voelen. Af en toe komt er ook een zakkertje voorbij, maar dat  vergeef je hem onmiddellijk. Verder wil je, naar het volgende glanzende pareltje aan deze wonderschone ketting van alinea’s.

Taïa weet literatuur te maken van zijn eigen leven zoals slechts weinigen dat kunnen.

Zijn autobiografische werk stijgt boven de bekentenisliteratuur uit, omdat hij geen begrip vraagt, maar de lezer begrijpt. En juist daarom wil de lezer niets liever dan meekijken, meedromen, meeverlangen en meelijden met deze getalenteerde dappere pionier.

Arabische melancholie werd genomineerd voor ‘Le Renaudot’, een van de meest prestigieuze literaire prijzen van Frankrijk.