|
................................................. //FICTIEMANNEN// Herta Müller Oorspr. titel en uitg.: Atemschaukel – München: Hanser, 2009 Vertaling (uit Duits): Ria van Hengel Recensie: Connie van Gils .................................................
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Homoseksualiteit = anonieme seks in parken Het meest interessante gedeelte in Ademschommel vond ik het nawoord. Daarin vertelt de schrijfster hoe ze ertoe is gekomen dit boek, dat op ware gebeurtenissen is gebaseerd, te schrijven: In januari 1945 eiste Sovjetgeneraal Vinogradov in naam van Stalin van de Roemeense regering alle in Roemenië wonende Duitsers op voor de 'wederopbouw' van de in de oorlog verwoestte Sovjet-Unie. Alle mannen en vrouwen in de leeftijd van zeventien tot vijfenveertig jaar werden gedeporteerd naar Russische werkkampen. Ook mijn moeder heeft vijf jaar in een werkkamp gezeten. Deze periode heeft haar moeder, veel van haar moeders dorpsgenoten en vervolgens ook hun nageslacht voor het leven getekend. In 2001 is Müller begonnen gesprekken die ze voerde met de voormalig gedeporteerden op te schrijven. Een van hen was Oskar Pastior. In hem vond ze de man die haar zijn navrante levensverhaal nauwgezet verteld heeft. Ademschommel is hierop gestoeld en geschreven in de ik-vorm. Het zijn beelden die recht uit de ziel lijken te komen en fraai gevormde zinnen die ze heeft neergepend. De toon is sober en ontdaan van emotie, de woordkeuze poëtisch. Je bent je er bladzijde voor bladzijde van bewust met een zeer groot schrijfster van doen te hebben. Dat maakt dat je de honger die een rode draad vormt in het boek niet kunt navoelen. Het diep menselijk lijden dat ze beschrijft glijdt langs je heen, van je af, en het verhaal sterft in schoonheid. Wat overblijft is ontzag voor de auteur en dat lijkt mij toch niet de bedoeling. Wat mij nogal stoorde in het boek is de versimpeling van de homoseksualiteit van het hoofdpersonage. In het hele boek komt eigenlijk maar een keer of drie uit het niets ter sprake dat hij homo is. Het gaat dan alleen over anonieme seks in parken met de daarbij gepaard gaande angst voor ontdekking. Het zijn losse fragmenten die weinig met de rest van het verhaal van doen hebben. Toen, vlak voor het kamp en evenzo na mijn terugkeer tot 1968, toen ik het land verliet, zou er op elk rendez-vous gevangenisstraf hebben gestaan. Minstens vijf jaar als ik was gesnapt. Er werden er heel wat gesnapt. Ze gingen na brute verhoren rechtstreeks van het park of het stadsbad naar de gevangenis. Vandaar naar het strafkamp bij het kanaal. Nu weet ik dat je van het kanaal niet meer terugkwam. Wie toch terugkwam was een wandelend lijk. Vergrijsd en verwoest, onbruikbaar voor welke liefde ter wereld ook. Of wat er zal gebeuren als zijn ouders er achterkomen. Als hij te horen krijgt dat hij gedeporteerd wordt is hij eigenlijk wel opgelucht, zo erg vreest hij dat zijn ouders erachter komen wat hij in het park uitspookt. Mijn moeder en vooral mijn vader geloofden, zoals alle Duitsers in de provinciestad, in de schoonheid van blonde vlechten, witte kniekousen. In de zwarte vierhoek van Hitlers snor en in ons, Zevenburgse Saksen, als een arisch ras. Mijn geheim was louter lichamelijk bekeken al een enorme afschuwelijkheid. Met een Roemeen kwam er ook nog rassenschande bij. In het kamp gedraagt hij zich volstrekt 'normaal' en is één met de hem omringende hetero's. Er is geen onderscheid tussen hem en de anderen, ook niet in zijn beleving. Hij vraagt zich nooit af of er nog iemand is als hij. Vrij onverwacht blijkt op een keer dan toch ineens dat hij wel degelijk in angst leeft. Aan het einde van de vijf jaar, als de omstandigheden in het kamp drastisch verbeteren, vertelt hij over een dansfeest: Het patroon van de paren was elk uur anders (..). Ik denk dat de mengsels van gunst en arglist, die er bij de paringen uit kwamen, waarschijnlijk even verschillend en miserabel waren als de steenkoolmengsels. Maar je kon alleen mengen wat je had. Je kon niet, je moest. Zoals ik me buiten alle mengsels moest houden en moest opletten dat niemand vermoedde waarom. Veel meer dan dit is het niet wat er over zijn homoseksualiteit instaat. Ik heb niks tegen seks in parken of angst voor ontdekking, maar homo-zijn gaat toch over méér. Ik vraag me af of het de onbekendheid met homoseksualiteit is geweest van de auteur of wellicht de terughoudendheid van Pastior dat het in het hele boek niet één keer gaat over de mogelijkheid van liefde voor een andere man, om maar eens wat te noemen. Hoe anders gaat het er bij de hetero’s in het kamp aan toe die ondanks alles paren vormen, al zijn het dan miserabele. Er is echter geen verlangen van deze zeventienjarige jongen naar een speciale vriend, er worden geen dromen gekoesterd, er zijn geen namen. Heel, heel misschien is er iets van een liefdesband tussen de jongen en de kampkapper, maar het blijft erg vaag. De enige liefde die hij voelt, is voor een van de schoppen waarmee hij cement, kolen of zand moet scheppen. Het is uiteindelijk de harteschop waarmee hij een bijzondere band ontwikkelt. Zijn genegenheid voor deze kolenschop doet hem voor mij uiteindelijk dan toch van het papier opstaan. Ademschommel is geen 'tear jerker'. Vanwege de weergaloze stijl en historische waarde is dit boek van Müller, die in 2009 de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg, een aanrader voor mensen die houden van het hogere. Het staat, niet geheel onverwacht, in de top tien van boeken gekozen door de (roze) leesclubs van Anbo/Senia literair. |