|
................................................. //TRANSGENDER// Jan-Cornelis Toepoel .................................................
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Ik ben wie ik ben is een boekje dat is samengesteld door Jan-Cornelis Toepoel uit de vele dagboeken die ze van jongs af aan heeft bijgehouden en die ze bij IHLIA in bewaring heeft gegeven in een van onze persoonlijke archieven. Het is het verhaal van een lesbische vrouw die al vroeg met psychische hulpverlening in aanraking komt. Zij wordt aanvankelijk gediagnosticeerd met een borderline persoonlijkheidsstoornis en later met een bipolaire stoornis met psychosen. Toepoel vertelt als ervaringsdeskundige over de vele crises die ze heeft doorgemaakt, over de legio zelfmoordpogingen en over de inspanningen die ze heeft verricht om haar leven steeds weer vanaf het nulpunt op te bouwen. Bepaalde thema’s in haar autobiografie zijn interessant. Zo is daar haar ontdekking dat ze zich niet en nooit zal kunnen handhaven in een liefdesrelatie en daar voor haar eigen gezondheid dus vanaf zal moeten zien in haar verdere leven. Zo is daar haar verliefdheid op en grenzeloze liefde voor haar therapeuten die de belangrijkste vrouwen in haar leven zijn. Dan is er haar genezing van een ernstige incontinentie die maakte dat ze op een plastic zak moest zitten als ze bij iemand op visite was, wat rampzalig moet zijn geweest voor het jonge meisje dat ze ooit was. Later volgt nog haar ontdekking dat ze transgenderman is en het besluit om verder als man door het leven te gaan. Jammer genoeg worden deze onderwerpen slechts oppervlakkig behandeld of aangestipt en concentreert het boekje zich op haar doodsverlangen. Wat ook aan het verhaal ontbreekt is een wereld en tijdgeest om haar heen. Toepoel moet een schat aan verhalen tot haar beschikking hebben over hoe de hulpverlening zich de afgelopen dertig jaar - binnen en buiten de psychiatrische inrichting - ten opzichte van haar lijden heeft opgesteld. Ze had haar ervaringen daarmee machtig mooi kunnen inkaderen in een voor iedereen interessante context. Dat heeft ze helaas niet gedaan. We lezen voornamelijk over Toepoels binnenwereld, haar eigen persoonlijke gevoelens en gedachten, zoals wel gebruikelijk in een dagboek. Op de achterflap meldt Toepoel dat ze dit boek heeft gemaakt omdat ze haar ervaringen wil delen met lotgenoten, hulpverleners en belangstellenden. Dat is natuurlijk mooi, maar Ik ben wie ik ben leest toch meer als een verlangen naar begrip van de anderen voor haarzelf. Daarnaast is het een publiekelijke aanklacht tegen bepaalde personen. Met name haar oudere zus krijgt er van langs. Toepoel meent dat haar doodsverlangen is ontstaan doordat ze zich als kind ongewenst heeft gevoeld door haar oudere zus. Ze is op diens verjaardag geboren en daarom heeft deze haar bestaan nooit kunnen accepteren. Dat heeft Toepoel van jongs af aan een ‘ik mag er eigenlijk niet zijn’-gevoel gegeven. Leven ervaart ze als strafbaar, schrijft ze ergens treffend. Hoewel ik er van overtuigd ben dat zo’n zus heel beschadigend kan zijn en blijven, roept dit gegeven toch een paar vragen op. Waarom gedroeg dat zusje zich namelijk als een koekoeksjong? Was er misschien iets meer aan de hand in dat gezin? Waarom horen we zo weinig over pa en moe? Zelfcensuur? Piëteit? Het lijkt mij dat Toepoel haar grieven tegen haar zus beter in een persoonlijke brief aan haarzelf had kunnen uiten. Wat moet de lezer ermee? En is Toepoel’s verlangen naar de dood niet veeleer een symptoom van haar psychische kwetsbaarheid en de rivaliteit van haar zus slechts aanleiding? Dat is wel het goede aan dit boekje. Het zet de lezer aan tot heftig en kritisch nadenken. Gelukkig maakt, misschien mede door de hulp, het gezonde sociale en creatieve deel van Toepoel een ontwikkeling door en vindt ze door de jaren heen steeds meer vreugde en voldoening in vrijwilligerswerk, schrijven en schilderen, contacten met buren, vriendschappen en kerkbezoek. Het is uiteindelijk een psychiater die Toepoel stevig aanpakt en haar leert zich minder afhankelijk van anderen op te stellen. Ze mag zelfs geen thee meer voor zich laten zetten als ze zich beroerd voelt: "Je hebt tenslotte niks aan je handen." Geen boodschappen laten doen als ze de straat niet opdurft: "Je hebt niks aan je voeten." Ze dwingt haar uit de slachtofferrol te stappen. Het belangrijkste is misschien wel dat ze Toepoel leert dat ze pijn moet verdragen. Wijze woorden die Toepoel ten harte neemt, zodat het allemaal toch nog goed komt. Dit in de grond positief boekje is wellicht interessant en herkenbaar voor iedereen die een doodswens koestert. |