|
................................................. //FICTIEVROUWEN// Naomi Alderman Oorspr. titel en uitg.: Disobedience – New York, NY: Viking, 2006 Recensie: Connie van Gils .................................................
|
|
Na de dood van haar vader, de orthodoxe rabbi Rav Krushka, keert de dertigjarige Ronit uit New York terug naar Hendon, de Joodse buitenwijk van Londen waar ze is opgegroeid. Jaren geleden verruilde ze Hendon voor New York, vanwege conflicten met haar vader waarover we weinig details te horen krijgen. In New York heeft ze inmiddels een succesvolle carrière als financieel analist opgebouwd, maar op relationeel vlak gaat het minder goed; de relatie met haar (getrouwde) baas is juist op de knippen gelopen. Weer in Hendon logeert ze in het huis van Esti, haar jeugdliefde die inmiddels is getrouwd met Dovid, hun gezamenlijke jeugdvriend. Dovid is de aangewezen opvolger van Rav Krushka, maar voelt zich daar niet toe in staat, overgevoelig als hij is en leidend aan zware migraineaanvallen. Esti, een stille, aparte vrouw, blijkt nog steeds verliefd op Ronit, maar Ronit kan haar avances aanvankelijk niet meer beantwoorden. Ze is Esti en Hendon te zeer ontgroeid, al raakt ze gaandeweg meer en meer gefascineerd door de orthodoxe wereld van haar jeugd. In de nasleep van de dood van de rabbi ontstaat er een schisma in de gemeente en leidt Dovid een deel van de gemeenteleden in de richting van een vrijer Jodendom, waarbij ook Esti en Ronit zich thuis voelen. Tot zover een beschrijving van het verhaal. Mij bekroop tijdens het lezen telkens de gedachte dat de schrijfster haar leven als een groot blik heeft opengetrokken om alles wat ze weet en heeft meegemaakt een plaats te geven in dit verhaal. Zo begint ieder hoofdstuk met een citaat uit de joodse traditie, waarop een vertelling volgt waarin de houdbaarheid van dit citaat onder de loep wordt gelegd. De sfeer van deze vertellingen is buitengewoon poëtisch en beeldend en ademt de sfeer van Chassidische vertellingen uit het Oost-Europa van eeuwen geleden. Alleen om deze vertellingen al is het boek de moeite waard. Vervolgens wordt er verder verteld vanuit het perspectief van Esti. De sfeer is nog steeds dromerig en het proza heel zorgvuldig en mooi, maar er wordt nu duidelijk een verhaal verteld dat gesitueerd is in het heden. Tenslotte krijgen we in ieder hoofdstuk het relaas van de 'ik' figuur – Ronit – te horen, die in grootstedelijk taalgebruik, in een totaal andere, want moderne sfeer, verslag doet van haar belevenissen. Deze drie verschillende stijlen en drie verschillende levens – die van Ronit, Esti en Dovid – zijn gelijkwaardig met elkaar verweven. Bijzonder is het een kijkje te krijgen achter de schermen van wat het joodsorthodoxe leven voor vrouwen betekent, met zijn traditionele rolverdeling en de wenselijkheid, heiligheid zelfs, van het kinderrijke gezin. Hierin is weinig plaats voor mensen die anders zijn. In een Hollywood-achtige ontknoping staat Esti dan op, om tijdens de herdenkingsplechtigheid van Rav Krushka uit te spreken wat het voor haar betekent in een traditionele gemeenschap lesbisch te zijn. "Spraak," zegt Esti, "dat is het geschenk van de schepping. (…) We moeten niet bang zijn voor woorden, of voor een openlijk spreken van de waarheid." Na lezing bleef ik zitten met de vraag: wat heb ik nou eigenlijk gelezen? Eigenlijk té veel. Het boek lijdt aan een eigenschap die in veel debuten te vinden is: het is te vol, te rijk. Maar is dat erg? Nee, want het is een verhaal dat nog dagenlang door je hoofd blijft gonzen. Met de thematiek die ze gebruikt heeft, kan ze nog vele afzonderlijke boeken schrijven, die we met veel belangstelling tegemoet zien. |