Vooraf

Door de gunstige economische ontwikkelingen na 1945 konden steeds meer mensen gaan studeren. Door de overheden in de westerse landen werd de deelname van lagere en middenklassestudenten met subsidies en beurzen aangemoedigd. De nieuwe studenten moesten niet zoveel hebben van de oude studentenorganisaties. Ze wilden niet alleen maar bier drinken en contacten voor later leggen, zij wilden verandering. Op de universiteiten én in de samenleving. Eind jaren zestig betekende dat veel onrust op de universiteiten en in de jaren zeventig ging men steeds vaker protesterend de straat op. Solidariteit was daarbij het veelgebruikte woord.

Vrouwen en homoseksuele mannen en vrouwen maakten gebruik van de studentenonrust om ook hun positie verbeteren. Al snel kwamen ze erachter dat de studentenwereld een mannenwereld was én een heterobolwerk. Dus gingen ze er zelf mee aan de slag.

Studenten werkgroepen homoseksualiteit

In de roze wereld leidde die onrust in 1969 tot de eerste homodemonstratie op het Binnenhof in De Haag. De actie was erop gericht om artikel 248bis uit het Wetboek van Strafrecht te halen. Dit artikel stelde seksuele contacten tussen meerder- en minderjarigen van hetzelfde geslacht strafbaar. Je was toen meerderjarig bij 21 jaar. Voor hetero’s was dat 16 jaar.

De organisatie was in handen van de Federatie Studentenwerkgroepen Homoseksualiteit (de FSWH). Elke universiteitsstad had zo’n werkgroep. De werkgroepen waren ontstaan op initiatief van het COC omdat studenten onder de 21 toen geen lid konden worden. Dat leverde de energie voor actie.

Joke Swiebel stond in Den Haag vooraan en was woordvoerder. Swiebel (1941) zette zich, als politica, bestuurslid van het COC en van IHLIA, jarenlang in voor acceptatie van en gelijke wetgeving voor homoseksuele mannen en vrouwen. Tot 2004 hield zij als lid van het Europees Parlement zicht op de handhaving van mensenrechten.

Het ging over onszelf en we waren niet bang onszelf als zodanig in te zetten. Het stak ons ook dat deze kwestie over de positie van jongeren ging, terwijl niemand op het idee gekomen was die jongeren zelf naar hun mening te vragen”, aldus Joke Swiebel.

In 1971 werd het wetsartikel geschrapt en de minimumleeftijd voor heteroseksuele en homoseksuele handelingen gelijkgetrokken. In totaal zijn tot dan toe ongeveer 5000 mensen vervolgd voor overtreding van het gewraakte artikel.

Potten en flikkers

Intussen probeerden leden van de FSWH middels het pamflet Afscheid van een moederbinding (1969) het COC om te turnen. In 1971 namen deze nieuwlichters met de kleinst mogelijke meerderheid het bestuur van het COC over. Voor veel studenten steeg daarmee de hoop op verandering. Het COC volgde echter de meer traditionele lijnen van politieke beïnvloeding via de lokale en landelijke politiek en een uitgebreid netwerk van invloedrijke mensen. Naarmate de jaren zeventig vorderden werd die houding als te passief ervaren.

Het COC had behalve zijn stille diplomatie nog één ander wapen: het verenigingsblad Sek (1971-1988). Tot 1979 waren er geen Nederlandse concurrenten. Met de komst van de Gay Krant, Homologie en Diva veranderde dat. De redactie van Sek probeerde zoveel mogelijk stemmen van pro en contra aan het woord te laten.

Zo werden de lezers inclusief de rebelse studenten op de hoogte gehouden van het ontstaan van activistische potten- en flikkersgroepen. En werd ‘potten en flikkers’ de geuzennaam waarmee je je afzette tegen de ‘conformistische homofiel’ die het van de samenleving wel mocht zijn maar niet mocht doen.

Paarse September

In de vrouwenbeweging voelden lesbische vrouwen zich met de nek aangekeken. En verdorie, het COC en de studentenwerkgroepen waren ook al zo’n mannenbolwerk. Na enige tijd aan beide bewegingen hun energie te hebben gegeven, werd een klein clubje vrouwen boos en steeds bozer.

De woede richtte zich op de vrouwenbeweging én de homobeweging. De kreet ‘lesbisch zijn is een politieke keuze’ schokte de heterowereld. De weigering van het COC Amsterdam om geen mannen toe te laten bij een discussieavond met de vrouwen van Paarse September schokte de homobeweging.

Paarse September bestond maar kort. Maar inmiddels hadden de vrouwen wel diepere verbindingen gemaakt met de radicaallesbische beweging in de Verenigde Staten. Passend bij de tijdgeest was daar een romantisch beeld ontstaan van een eigen vrouwenstaat, Lesbian Nation, weg van al het gezeik en gezeur met mannen.

De lesbische vrouwen in de hele westerse wereld stonden aan de wieg van een radicaalfeministische beweging. Hun invloed in de vrouwenbeweging werd nog eens vergroot omdat veel lesbische vrouwen vooraan stonden als er betogingen georganiseerd moesten worden.

Politieke homogroepen en Rooie Flikkers

Veel lesbische vrouwen voelden zich niet thuis in het roze mannenbolwerk en de vrouwenbeweging was een veel leukere plek die je ook nog eens zelf kon inrichten. Daardoor bereikten de discussies en de theorieën van de radicale vrouwen de roze mannen maar mondjesmaat. Dat verliep voornamelijk via organisaties als Man Vrouw Maatschappij (MVM) en de nooit van de grond gekomen Mannenbeweging.

De homomannen kwamen tot actie met politieke homogroepen. Elke partij had er wel een: het gevoel dat er iets moest veranderen was groot. Vrouwen waren daarin nog slecht vertegenwoordigd.

Het Amsterdamse Flikkerfront en de Rooie Flikkers gaven de roze mannen stof tot nadenken en ideeën over verandering. De discussies liepen ook hier hoog op. Ze gaven de beweging wel een gezamenlijk symbool: de roze driehoek.

Een grote groep ontevreden studenten en aan hen gelieerde activisten vormen eind jaren zeventig de voedingsbodem voor verandering. Het COC bleek niet uitdagend genoeg. Ze moesten zelf aan de slag. De mannen, vooral uit de gammawetenschappen, zochten hun heil in Europese veranderingsideologen. De vrouwen, voornamelijk uit de alfawetenschappen, vonden hun ideologische bronnen bij Amerikaanse (radicaal) feministen.

Beide clubs kenden de successen van de Gay Liberation Movement in de VS en de uitdagende vrolijkheid van de jaarlijkse Gay Pride Marches aldaar. Deze werden breed uitgemeten in de Amerikaanse homobladen. Reizen naar de VS was nog duur, maar bladen lezen kon je natuurlijk overal. De rol van The Advocate is een studie waard.

Hoewel Sek een beetje achter de internationale feiten aanhobbelde, was men toch redelijk op de hoogte van wat zich in de VS afspeelde. De vele Engelsen en Amerikanen die genoten van het tolerante Nederlandse (vooral Amsterdamse) homoklimaat zorgden voor extra input. De kortegolfzenders, met de BBC World Service voorop, waren een belangrijke bron van rechtstreekse informatie voor de Nederlandse homobeweging.

De vonk

Er was dus een voedingsbodem, er was kennis. Het wachten was op de vonk in het kruitvat. Die kwam in de vorm van een referendum in Miami Dade County begin juni 1977. Een rechts-christelijke organisatie Save Our Children, met zangeres Anita Bryany als boegbeeld, diende een referendum in om de antidiscriminatiemaatregelen tegen homo’s ongedaan te maken.

Tot grote schrik van linkse en rechtse lesbische vrouwen en homomannen werd het referendum met bijna driekwart van de stemmen gewonnen. Liberale Nederlandse pastores schrokken van de ultraconservatieve houding van de betrokken Amerikaanse christenen. Hun werk om homoseksualiteit bij christenen geaccepteerd te krijgen, zagen ze tenietgedaan worden. Politici die net uit de kast waren gekomen, hadden al eerder steun bij elkaar gezocht. Gesteund door de stille diplomatie van het COC werd er voorafgaand aan het referendum een telegram gestuurd naar de Amerikaanse president Carter.

De uitslag van het referendum van 1977 was echter om een andere reden belangrijk. Onbedoeld gaf het de kickstart aan een hernieuwde gay movement, en niet alleen in de VS. Behalve bij de pride marshes waren de gays and lesbians moeilijk de straat op te krijgen. Het lukte Anita Bryant om mensen zo boos te maken dat ze over hun schroom heen stapten en nieuwe grass root organisaties uit de grond stampten of bestaande vernieuwden.

Door de aandacht van de internationale media, waaronder ook de Nederlandse, was het referendum bijna geen lokale zaak meer. De woede onder roze activisten zorgde voor nóg een kickstart maar dan in Nederland.

Snel werden er protesten georganiseerd. Een groep lesbische vrouwen hield een nachtwake bij de Amerikaanse ambassade. De Rooie Flikkers protesteerden met verfbommetjes bij het Amerikaanse consulaat. Maar de boosheid was zo heftig dat een echte grote protesttocht voor hun gevoel nodig was. Hier kwam de ervaring van de lesbische vrouwen met bijvoorbeeld abortusdemonstraties goed van pas.

Het lesbische netwerk werd aan het werk gezet. Activiste en lesbisch feministe Maaike Meijer stapte naar de politie om een demonstratieve tocht aan te vragen. Vriendinnen uit het telefoonnetwerk pakten de organisatie op. De demonstratie had al eerder plaats kunnen vinden, maar uit het internationale telefonische netwerk hadden Meijer en anderen opgemaakt dat 25 juni 1977 een betere dag was omdat dan overal in de VS pride marsen zouden worden gehouden. En let wel: het was in de eerste plaats een solidariteitsdemonstratie, maar werd tevens de eerste Nederlandse gay pride.

Demonstratie 1977 

Demonstratie 1977 

In de demonstratie liepen uiteindelijk ook mannen mee. Een groep vrolijk geklede Rooie Flikkers liepen op de derde en vierde rij, maar de hoofdmoot en de uitstraling van de demonstratie was lesbisch.

Het COC was de grote afwezige. Het jaar daarop was de organisatie van de demonstratie in handen van een lesbisch netwerk en de Rooie Flikkers en opnieuw was men solidair. Het COC ging pas in 1979 mee de straat op. Maar het mocht alleen meedoen als onderdeel van het Roze Front, een gelegenheidsorganisatie.

Amsterdam 1979


Amsterdam 1979

De veenbrand slaat uit

In de twee jaar tussen de succesvolle demonstratie van 1977 en 1979 was er iets fundamenteels veranderd in de roze beweging. In alles wat in die twee jaar werd georganiseerd, deed het COC in grote lijnen niet mee. De groepen die hun onmin in Sek kwijt konden, begonnen een compleet eigen netwerk met tijdschriften, universitaire studierichtingen, een documentatiecentrum, symposia en later zelfs tentoonstellingen. Aan de rechterzijde van het COC maakte de voormalig voorlichter van de VVD, Henk Krol, een begin met een eigen informatie-imperium. Politieke homogroepen en dan vooral linkse begonnen hun eigen wensen vorm te geven in gemeentelijke politiek.

Was de onrust eerder een veenbrand, door de gestructureerde aanpak van de rebellen werd het een uitslaande brand die het huis van het COC bedreigde. Het begin van die opzet ligt bij lesbische en homostudies en daarvóór nog bij de slottoespraak van Annemarie Grewel tijdens de demonstratie van 1977.

Grewel was behalve linkse pot ook voorzitter van de Universiteitsraad van de Universiteit van Amsterdam (UvA). De raad kon jaarlijks op basis van onderbouwde plannen extra gelden uittrekken voor nieuwe universitaire initiatieven.

De Rooie Flikkers hadden al in 1976 ideeën over homostudies, een Nederlandse variant van Gay Studies. Ze zagen hier kansen. Bij de vrouwen was het tijdschrift Lover (LiteratuurOVERzicht) een belangrijke uitingsvorm. De kwaliteit van de stukken in Lover mét in elk nummer een uitgebreide documentatierubriek was een belangrijke inspiratiebron voor bijvoorbeeld het tijdschrift Homologie en voor het Documentatiecentrum Homostudies.

Oprichting Homostudies 12 maart 1978

Toch voelden een aantal lesbische vrouwen zich bij Lover niet helemaal thuis. Zij gingen samenwerken met mannen van de Rooie Flikkers en anderen uit de oude studentenwerkgroepen.

Zij zorgden ervoor dat Annemarie Grewel en Jim Holmes, hoofddocent aan de UvA, in februari 1978 studenten en docenten van meerdere universiteiten in Amsterdam bij elkaar brachten. Daar werd een ‘go’ gegeven voor een grote bijeenkomst op 12 maart dat jaar. Op die bijeenkomst werd een alternatieve structuur geboren: opzetten van lesbische en homostudies in diverse steden maar vooral Amsterdam en Utrecht, het documentatiecentrum, tijdschrift Homologie en als je de lijn iets doortrekt: het tijdschrift Diva, de diverse Lesbische Archieven en een eigen boekhandel Vrolijk.

We waren boos dat men ons altijd maar wilde en wil normaliseren. Dat moet afgelopen zijn! We zijn anders en we zijn er trots op. En zelfs zo’n trut als ik richtte daarom op de VU mede het FlikkerOverleg VU (Flovu) en later het Flikker en PottenCafe (FliPo) op.” Martien Sleutjes

Lesbian Nation en meer

Veel vrouwen in het lesbische netwerk kwamen uit de hoek van de taalwetenschappen. Men organiseerde zich vaak in collectieven. Wie er deel uitmaakte van zo’n collectief was niet altijd duidelijk omdat men naar buiten toe als één club optrad. Soms noemden ze zichzelf Lesbian Nation, maar voor vrouwen uit andere radicale collectieven was Lesbian Nation meer een ‘cabaretclub’, terwijl er duidelijk meer aan de hand was: een zoektocht naar identiteit.

‘Lesbiafonia’ was een grotendeels uit het Deens vertaalde performance waarin muziek en sketches elkaar afwisselden, met als basisgedachte: Wie zijn we, wie willen we zijn.

In Groningen gaf Damesschrijfbrigade Dorcas tussen 1979 en 1981 in drie damesromans op een hele bijzondere manier invulling aan de zoektocht: Scenes uit populaire meisjesboeken werden systematisch verzameld en vervolgens keurig in een lesbische verhaal verwerkt. Het resultaat was verbluffend en erg leuk om te lezen.

Het toppunt van deze zoektocht was zonder meer het Lesbisch Prachtboek uit 1979 met essays, verhalen, poëzie, geschiedenis en een heuse fotoroman.

Lesbisch zijn is voor ons (…)een wijze van bestaan en een manier van kijken.”
Uit het voorwoord van het Lesbisch Prachtboek.

Met op de achtergrond de tijdschriften Lover en Homologie voor de meer wetenschappelijke invalshoeken was er door de onrust in het lesbische netwerk ruimte voor een meer algemeen tijdschrift als Diva en een meer literair tijdschrift als Lust en Gratie. Daarmee ontstond een nieuw netwerk van een wat jongere generatie die later haar weg vond naar Lesbische en Homostudies of zelfs naar het COC.

Karin Daan legt bij de presentatie in 1981 haar ontwerp uit

Uitgaan

De openheid sinds midden jaren zestig had een opvallend bijverschijnsel: de groei van een commercieel uitgaansleven. Die groei speelde zich vooral af in steden met een grote studentenbevolking. Overal ontstonden in de jaren zestig jongerensociëteiten en werden jongerenfeesten georganiseerd. Feesten van Pann (‘straight-friendly’ gayfeesten) in Utrecht bestaan nog steeds.

In Amsterdam kwam er ook horeca voor een breder publiek. In het begin niet zichtbaar vanaf de straat: aanbellen en een portier beoordeelde of je erbij hoorde. Waren in de jaren vijftig en zestig het DOK en de Schakel de voornaamste gelegenheden (beiden hadden een sociëteitsvergunning en konden dus laat openblijven) midden jaren zeventig kwamen er meer nachtclubs. Voor een lesbisch publiek en voor de leer en sm-scene organiseerde men speciale feesten en zette direct toegankelijke bars op zoals de Argos en de Wells Fargo.

Een speciale plek had de van oorsprong op lesbische vrouwen gerichte nachtclub Homolulu in de Kerkstraat in Amsterdam. De Turkse eigenaresse Güner Kuban opende samen met haar vriendin Tonny midden jaren zeventig de nachtclub. De club zou uiteindelijk 23 jaar blijven bestaan. Maar in de jaren negentig werd de klandizie wel zo hetero dat de toen zestig jaar oude Kuban zich ‘steeds minder comfortabel’ in haar eigen zaak:

Twintig jaar geleden was het hier veel aangenamer. Alleen lesbische vrouwen bezochten Homolulu. Wanneer een man en een vrouw met elkaar dansten werden ze door de bezoekers verzocht om te gaan.”

Club Homolulu sloot in 1998.

Toen de onrust in de roze beweging begon te borrelen, besloot een drietal horecaondernemers dat het tijd werd voor een meer open caféscéne. Guus Silverentand en Frans Monsma begonnen in 1979 met coffeeshop Downtown en in 1981 met café April. In 1980 begon Mieke Martelhoff met de eerste Vivelavie. Na een brand verhuisde ze in 1984 naar een open kroeg met grote ramen op de hoek van het Rembrandtplein: ingesteld op een lesbisch publiek maar toegankelijk voor iedereen.

Vanuit April en Vivelavie werd een homo- en lesbisch feestencircuit opgezet dat al snel uitbreiding vond. Grote discotheken vaak gevestigd in oude bioscopen zagen in de homoscene een markt en begonnen speciale avonden te organiseren, ¬meestal door de week. Pas toen Manfred Langer het grote Flora Palace omtoverde tot Club iT kwam er een zaterdagavond beschikbaar.

Het COC (Amsterdam) had eind jaren zeventig de Schakel aan het Leidseplein verkocht en had samen met het landelijk kantoor een nieuw pand betrokken aan de Rozenstraat met de toepasselijk naam ‘Ons Huis’. Behalve een dansvloer en een caféruimte beschikte het pand ook over een theaterzaal.

Direct bij de opening ontstond een groot gevecht om de zaterdagavond. Uiteindelijk wonnen de vrouwen en kregen hun ‘women only night’. Voor de mannen waren er toch clubs als het DOK en later de iT en April’s Exit.

De theaterzaal was heel belangrijk voor de ontwikkeling van alternatief theater zoals dat van de Softies of gelegenheidsgroepen. De zaal werd ook verhuurd voor speciale leerfeesten. En zo kon het gebeuren dat op zaterdagavond beneden lesbisch Amsterdam uit haar dak ging en mannen in full leather de trappen naar de theaterzaal bestegen.

In die zaal werden later ook gemengde kinky feesten gehouden en vond zo de doorbraak plaats dat het niet meer uitmaakte of je homo of hetero was, man of vrouw, als je maar van dezelfde fetisj hield.

Clubscene

De doorbraak van de disco gaf de dansscene een enorm impuls. In de grote discotheken werd het druk. De openingstijden werden langer. Een pilletje om het eind van de avond te halen was wel nodig. XTC werd midden jaren tachtig heel populair. En er zouden nog heel wat ‘afkortingen’ volgen!

Eind jaren tachtig begonnen clubs zich te specialiseren in speciale dansmuziek. In de RoXy ontstond onder de handen van dj Joost van Bellen de housemuziek die de Nederlandse dancescene stevig op de kaart zou zetten. Aanvankelijk vond het personeel die housemuziek maar niks, maar dat veranderde toen het publiek het wel leuk bleek te vinden.

Dat publiek werd breder van samenstelling: van een kunstenaarspubliek naar een brede, nogal extravagante scene. Van Bellen stond achter de draaitafels, maar maakte ook polaroids van alles en iedereen. De fotografe Cleo Campert fungeerde als huisfotograaf van de club.

In die tijd mocht er gerookt worden in de zaal. Om het personeel te ontzien had de RoXy een luchtverversingssysteem aangelegd zodat je aan en achter de bar in redelijk frisse lucht stond. In 1999 zorgde een verdwaalde vuurpijl in combinatie met deze frisse luchtstroom voor een fatale brand.

Niet ver van de RoXy was er op het Rembrandtplein de Escape, een heterodisco met door de week een speciale homoavond. Liep je door dan kwam je in de Amstelstraat bij de gay prefered disco iT. Daar ging de boel pas echt los: een special promotieteam met in de vaste kern Joost Mous en Geert-Jan Kuijpers vaak aangevuld met Vera Springveer/ Charles Lücker verzorgde er grote, extravagante feesten.

Nog meer clubs

Helemaal buiten de drukke binnenstad in de voormalige lettergieterij Tetterode aan de Bilderdijkstraat begon in 1985 het alternatieve danspaleis: De Trut. In het krakersbolwerk was er een zaal met uitstekende muziek, een leuk gevarieerd publiek van activistische lesbiennes en homomannen.

Deze niet-commerciële potten- en flikkerdiscotheek schiep vanaf het begin een omgeving met:

Een goede sfeer, goede muziek, betaalbare prijzen en een veilige omgeving waar je als pot, trans of flikker samen uit je dak kon gaan.”

De Trut is tot op de dag van vandaag een duidelijke tegenhanger van de grote commerciële clubs. De winst komt geheel ten goede aan kleinschalige potten-, trans- en flikkerprojecten.

Een duik in het posterarchief van IHLIA laat zien dat er binnen en buiten Amsterdam vanaf de onrustperiode veel te beleven was. Amsterdam had voor elke subcultuur wat wils: van ‘parelpotten, lipsticklesbo’s, dieseldikes en polderpotjes’ in de vrouwencafe’s en -clubs, tot Engelse en Duitse gay’s die overvlogen voor de befaamde leer- en sm-scene, zónder entréeprijs en mét een darkroom. Behalve de diversiteit, de open sfeer en relatief goedkope uitgaansscene had Amsterdam nog een voordeel: veel was op loopafstand.

En: buiten Amsterdam kwamen er in veel steden subculturele gelegenheden. Soms had een afdeling van het COC er bemoeienis mee, maar meestal waren het ‘particuliere’ initiatieven. In het archief springt het noorden van Nederland eruit, en de stad Eindhoven doet dat voor het zuiden. Ook daar bleken ze te kunnen ‘feesten’.

Diversificatie

Die hele golf van enthousiasme zag er in het begin nog uit als één roze beweging. Maar al snel gebeurde in deze beweging wat in alle andere emancipatiebewegingen gebeurt: er waren groepen die zich niet gekend en erkend vonden. Solidariteit is best leuk, maar het heeft zijn grenzen.

Om gehoord te worden moet je je eisen scherp formuleren. En je moet er dan op rekenen dat dat je niet in dank wordt afgenomen. Naast de aloude strijd tussen l en h in het roze alfabet kwamen er in het begin jaren tachtig nog nieuwe aspecten bij: huidskleur, geloof, afkomst, maar ook beroep. Het werd een identiteitenrace binnen de roze beweging. Surinaamse homomannen en –vrouwen kwamen bij elkaar rond de SUHO krant. Joodse homomannen en –vrouwen troffen elkaar in het actieve Sjalhomo. Binnen de lesbische beweging voelden zwarte vrouwen zich niet lekker en vier van hen richtte Sister Outsider op geïnspireerd door de zwarte Amerikaanse schrijver en lesbisch activiste Audre Lorde.

Een bezoek van Lorde aan Nederland in juni 1984 gaf een impuls aan de discussies rond zwart, vrouw en lesbisch zijn. Haar bezoek was ook inspirerend voor de verdere bloei van de Lesbische Archieven (in Leeuwarden, Amsterdam en Nijmegen).

Ook in verschillende beroepsgroepen begonnen lesbiennes en homomannen elkaar op te zoeken: van het leger, politie, onderwijzers en leraren (de Abop Homogroep) tot mensen in de medische sector (de Homogezondheidsgroep).

Al deze initiatieven samen zorgden voor een netwerk waarin roze activisten elkaar regelmatig konden ontmoeten, problemen konden uitwisselen en elkaar ondersteunen in het bedenken van oplossingen. Omdat je van meerdere platforms lid kon zijn, ging de informatie-uitwisseling extra snel.

Roze Zaterdag gaat landelijk

Er was een groot verschil tussen de grote stad en de regio. In Amsterdam was homoseksualiteit redelijk geaccepteerd, althans dat vond men buiten de randstad. Dáár lag het allemaal een stuk moeilijker. De Roze Zaterdag moest dus de regio in, om ook daar de strijd aan te gaan. De eerste keer was in Den Bosch in 1981 en dat was een vrolijke aangelegenheid.

Den Bosch 1981


Den Bosch 1981

In 1982 was Amersfoort aan de beurt. Rellende jongeren vielen, opgejut door mopperende en scheldende ouderen, de roze karavaan aan. De politie maakte een volstrekt verkeerde inschatting omdat men die Roze Zaterdag in de provincie waarschijnlijk maar belachelijk vond. De zaak liep behoorlijk uit de hand en gelukkig bleef het bij lichtgewonden en vooral gekwetste ego’s.

Amersfoort 1982

Het hele netwerk stond in 24 uur op scherp. De politieke homogroepen begonnen overal op lokaal niveau beleid en bescherming te eisen. Het COC trok zijn politieke kanalen open. Het kostte nog een hele tijd maar uiteindelijk kwam er de Algemene wet gelijke behandeling. Het ‘incident Amersfoort’ droeg zeker bij aan de druk voor zo’n wettelijke regeling.

Leiden 1983

In diezelfde tijd begint de discussie over de openstelling van het huwelijk voor paren van gelijk geslacht. Het COC, net als de vrouwenbeweging, bleef lange tijd op het standpunt staan dat het huwelijk helemaal moest worden afgeschaft. Deze juridische wensdroom deed geen recht aan de romantische gevoelens van mensen. Uiteindelijk draaide het COC bij en zette haar netwerk in.

De Gay Krant, onder leiding van Henk Krol, greep de actie van enkele homomannen die in Amsterdam probeerden te trouwen aan om een slim juridisch steekspel op te voeren. Het zou nog zo’n twintig jaar duren voordat Nederland in 2001 het eerste land ter wereld werd, waar homo’s en lesbiennes met elkaar in het huwelijksbootje konden stappen. De tussenstap van ‘partnerregistratie’ (1998) was voor velen niet ‘compleet’ genoeg. Henk Krol werd zo langzaamaan dé woordvoerder van roze Nederland doordat het COC verstek liet gaan.

Aids

De grootste bedreiging voor de nieuwe activistische golf kwam begin jaren tachtig in de vorm van een dodelijke epidemie. En zonder overdrijving: het wás vreselijk! Ontsnappen aan de gevolgen van aids was in de roze scene niet mogelijk. Op zijn minst had je kennissen die een vriend aan aids hadden verloren. De angst om aids te krijgen was groot. Voor velen kwamen de vrij-veilig-campagnes te laat. De tekenen van aids waren toen zeer onterend: sterke vermagering, grote paarse vlekken van kaposi sarcoom en gevreesde longontstekingen. Pas in 1996 kwam er een combinatietherapie die vele levens heeft gered en dat nog dagelijks doet.

Het activisme van de jaren zeventig kwam bij aids goed van pas. De Homogezondheidsgroep veranderde in de Stichting Aanvullende Dienstverlening. De aidscoördinator Jan van Wijngaarden ging samen met Hans Moerkerk, directeur Buro GVO Amsterdam persoonlijk op pad om voorlichting te geven, juist op de plekken waar de meeste risico’s werden genomen.

Homomannen hadden minder seks, veilige seks of gingen aan het condoom. De gigadaling in geslachtsziekten toonde het verantwoordelijkheidsgevoel en de angst. Dat was het signaal voor wetenschappers en autoriteiten dat zij aan zet waren. Omdat inreisbeperkingen in de USA veel mensen uitsloot van deelname aan de aidsconferenties, verhuisde die in 1992 naar Amsterdam.

Het roze netwerk trok intussen alle registers open om de emancipatie te bewaken. Verschillen werden opzijgezet. De solidariteit was groot. De overheid betrok het roze netwerk bij het beleid. En activist Janherman Veenker was er de juiste ambassadeur voor.

Er kwamen nieuwe actiemethoden: acties van Act Up! waren gevreesd. André Bongers en Eric Hamwijk richtten in 1990 de Nederlandse tak op. Ze werkten met de HIV-vereniging mee aan het Seropostive Ball, een 69 uur durend event in Paradiso, waar via internet een live netwerk werd gecreëerd met informatie en live chats. De kennis die Act Up! en belangenverenigingen verzamelden was zeer welkom in de medische sector. In 1996 begon volgens Kees Rümke (HIV-vereniging) het jaar nul, het jaar waarin leven met hiv mogelijk werd. De bakken met pillen werden in de loop der jaren vervangen door één pil per dag.

Strijd heeft zin én gaat door

Het is duidelijk dat de tegenslagen van Amersfoort en de grote aidscrisis ook een optimistische conclusie mogelijk maken: Strijd heeft zin. Activisme heeft ons heel ver gebracht. Van wat er, zeker in Nederland, bereikt is, konden we 40 jaar geleden alleen maar dromen. Juridisch hebben we het hier goed voor elkaar, nu de maatschappelijke acceptatie nog.

Ondertussen lijkt voor de buitenwereld ons letterspel op een kruiwagen met kikkers: zeg dat alle niet-hetero’s gelijk zijn en daar springen ze weer woest op. Maar net als 40 jaar geleden: als er reden is voor onrust komen al die letters weer samen. Er is dan nu misschien geen duidelijk gezicht als Anita Bryant, maar de alerte voelsprieten van iedereen in het lhbtqi+-alfabet staan 100% op actief.

Aan de uitdijende letterreeks is ook te zien dat het goed gaat met de strijd om gelijkheid. Toch blijft elke letter een minderheid. Een meerderheid (per letter of samen) wordt het nooit. Maar in 1998 tijdens de Gay Games kon je in het centrum van Amsterdam eindelijk eens voelen wat het was om in de openbare ruimte in de meerderheid te zijn.

Net als in de jaren zeventig is er nu de roep om solidair te zijn in de gezamenlijk strijd tegen homofobie, seksisme en racisme. Het internet toont dagelijks de problemen van lhbti’ers in binnen- en buitenland. En overal is de altijd en eeuwig geldende heteronorm de onderliggende oorzaak. Politieke leiders die dat uitbuiten en zonder gene minderheden aanpakken, zijn wereldwijd zichtbaarder geworden. Er is weer een veenbrand gaande…..en de strijd zal doorgaan.